slib

 

Een dorp aan de rivier.

De veerweg leidt naar het pondje, een vervallen vaartuig, op koers gehouden door een sliert kleinere bootjes. Zwaar beladen met auto’s, tractoren en een enkele vrachtwagen tuft het naar de andere kant.

De schipper komt langs met een stuk tabak in zijn mond en een schoteltje met muntjes.  Iedereen moet naar de overkant.Daar staat het veerhuis te wachten in de schaduw van de bomen. Er is daar niemand, alleen hoge donkere ramen.Die bomen ruisen alsof ze iets verbergen.

 Ik ben gaan liggen op de zomerdijk.Hoog boven me een zwerm spreeuwen. Vlak naast me zoemende bijen in het gras. Een schip, zwaar beladen met zand, zakt traag de rivier af, alle ramen van de huizen beginnen te trillen.Je komt naast me liggen en zegt; “het is net of de zee hier is”.

En zo liggen we daar zachtjes te wiegen met onze handen ineen, verborgen tussen het hoge gras. Ik had op die plek met je willen sterven.Een boer alleen, aan het hooien, had ons misschien kunnen vinden.

 

Waren het de bomen, die je iets toefluisterden, was het de trilling van de ramen? Of was het de plek in het gras, door het gewicht van onze lijven steeds drassiger, die je onheil voorspelde?

Je zei dat het tijd werd om terug te gaan.Door de bossen naar Leersum, Maarn, Doorn, Zeist, het uilenbos.Er is daar geen licht, alleen af en toe een wanhopig “oehoe,oehoe”.En aan het einde van die tunnel ligt Utrecht. Daar zijn de lichtjes en daar ging je op in het veilige geroezemoes van de stad.De dag erna overstroomde het land. Alsof de rivier het niet meer kon houden.Iedereen in het dorp had het erover.Het vee werd naar stal gebracht. De boten werden uit de schuren gehaald.De kerkklokken luidden onophoudelijk.En het water was onverbiddelijk, het stroomde over de weilanden, over de veerweg, de tabaksschuren en huizen in.Kinderen waagden het een stuk erin te fietsen tot het water  aan hun benen knabbelde. En dan konden ze nog net omdraaien,voordat ze vielen.Wat ze niet zagen, is dat het rode knipperlicht van de krib, in het ritme van een hartslag, het laatste teken van de beschaving vormde.

 

Toen het water weggliep liet het een spoor van vernieling achter. Littekens op het land. Stokken, plastic zakken, vuil.En terwijl de dorpsbewoners, verslagen door de rivier, hun spullen bij elkaar begonnen te sprokkelen, ben ik weggegaan.Ik heb gezocht naar jou in de stad. Ik zocht overal.Je had tegen me gezegd dat je me mee zou nemen naar jouw leven.

Dat je me mee zou nemen naar het theater. Dat je me een écht roombotercroissantje zou laten proeven.Dat je een café kende waar leuke mensen kwamen en dat ze daar goede wijn hadden en dat ze daarna, hupsakee, de tafel aan de kant schoven om te dansen. Dat we in een rondvaartboot de huizen konden zien, dat dat romantisch zou zijn met kaarslicht. Dat er leuke verborgen pleintjes en hofjes waren. Dat je buurman de lekkerste olijven van de stad verkocht. Dat ik er nodig eens uit moest.

 

Ik heb daar naar je gezocht, maar je nooit meer gevonden.

 

En vandaag ben ik terug naar die plek, die lege plek in het gras waar wij lagen.Daar ligt nu een stinkende laag slib uit de rivier overheen.De boerderijen zijn uitgerust met moderne apparaten, gericht op een efficiënte productie.De pond vaart geruisloos mechanisch zijn route en wijkt geen centimeter af van de snelste oversteek.De veerweg is van nieuw asfalt om zo snel mogelijk bij de pond te kunnen zijn. Moestuinen zijn vervangen door tegelstillevens, ramen door dubbele beglazing in kunststof kozijnen.Er is een alarmsysteem, dat af gaat als het water buiten proportie stijgt.Dan worden de bewoners geëvacueerdmet helicopters, waar ze zij aan zij in geoefende volgorde instappen. Bejaarden en vrouwen eerst.De bewoners wandelen over de veerweg alsof er niets aan de hand is.Ze hangen in de wilgen naar mij te kijken. Gordijntjes worden opzij geschoven om te gluren naar die buitenstaander.Vast iemand uit de stad, niemand kent haar. Nee, beslist niemand heeft haar hier eerder gezien.

In de verte klinkt een constant, zacht tromgeroffel dat de dorpsbewoners schijnt te behagen.Ik loop over de dijk heen en weer, onrustig, als een dier dat bedenkt waar het gaat rusten. Op zoek naar de plek waar ik lag met jou, waar het warm en zacht was.Hier was het, aan het begin van de dijk, bij de wilgen.

Ik begin te graven, eerst voorzichtig met mijn vingertoppen. De grassprieten zijn hard. Kiezeltjes, klonten aarde graven zich diep onder in mijn nagels. Dan harder, met mijn hele handen in de koude blubber. Knijpen in dat koude, trillende blubbergraf.Ik voel dat de bomen een andere kant opkijken en tegen elkaar ruisen “tut, tut, tut, moet dat nu?”Een groepje koeien bekijkt me nieuwsgierig en gaat er dan onder luid boegeroep vandoor.Onhandig, met volle schuddende uiers. Ze hebben modderpoten,net als ik.

 

Ik lach ,wat kom ik hier doen.Wat kwam ik hier zoeken.Alles is dichtgeslibt en de herinnering eraan opgraven, dat moet je niet doen.

,,Ik kom hier modderpoten halen”, zeg ik hardop.

 

Een masker van modder op je gezicht, dat schijnt goed voor je te zijn. Dat verkopen ze in dure verpakkingen. Daar knapt een mens van op. Mijn handen smeren de modder op mijn gezicht, een dikke romige laag inmasseren.Als het straks droog is, dan krab ik het weg. Dan ben ik weer als nieuw.

 

Aan de overkant klinkt opnieuw een zacht, dreigend tromgeroffel.Het lijkt uit het botenhuis met de donkere ramen te komen.Ik krabbel overeind en ren naar de pond. Hij brengt me mechanisch naar de overkant. Buiten adem sta ik voor de deur, mijn hand ligt al op de klink.Nu naar beneden drukken en duwen.Gewoon open maken dus, zeg ik tegen mezelf.Ik sta oog in oog met de dorpsfanfare en het majorettekorps. Veertien meisjes in blauwe gympakjes kijken me verschrikt aan. De fanfare valt stil. Af en toe slipt er uit verbazing een stokje uit een hand en valt op de grond.Het stuitert een keer en blijft dan liggen. Als een herinnering die nog een paar keer door je hoofd schiet en dan wegzakt.Het moet een belachelijk gezicht zijn geweest, dat gezicht van mij. Met dat moddermasker op. Niemand heeft dat meisje hier eerder gezien, beslist niet.

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gepubliceerd in: om maart 19, 2008 op 10:04 am  Geef een reactie  

Scenetje voor growing up in public

Geert heeft ingebroken bij Jan-Peter. Hij heeft het zich gemakkelijk gemaakt. Jan-Peter komt thuis.

 

B: Wat heeft dit te betekenen?

G: Geinige foto.

Is dat je dochter?

B: Zou u mijn huis willen verlaten?

G: Amelie, Amelietje. Het meisje dat iedereen gelukkig maakt.

B: Dit is onwenselijk. Mijn huis uit.

G: Ik heb een rotleven.

B: Mijn huis uit!

G: Ga even zitten.

B: Ik bel de bewaking!

G: Ga even zitten.

B: Dat is mijn stoel.

G: Zit prima. Geef die afstandsbediening even aan.

B (doet het)

G: Hoe eerder, hoe beter. Start en Play.

B: Die gok moet ik niet wagen. We spreken elkaar maandag.

G: Prietpraat. Heb je chips in huis?

B: We moeten nu niet gaan spreken in termen van.. Ik bel nu de bewaking.

G : Lulkoek!

B; Wie de bal kaatst kan hem terugverwachten!

G: (komt naast B op de stoel zitten)

De vraag is, wat ga je doen?

Wat ga je doen om het kwaad te verdrijven?

Als we even de proef op de som nemen.

Mm?

B: Ik ga hier nu een uitspraak over doen.

G: (strijkt hem liefdevol door het haar)

Een grote leider heeft een aantal capaciteiten nodig.

Een grote leider is recht door zee, doortastend en heeft een visie.

Want dat wil het volk.

B: Aantal jaren ervaring. Niet teveel uitspraken over doen.

W: Je hebt ze teleurgesteld.

Je bent een bange laffaard!

B: Ik heb ze teleurgesteld.

G: Het is jouw schuld dat ik hier zit.

B: Ik ben fout geweest.

Het spijt me.

G; Jij gaat op vakantie.

Je koffer staat klaar bij de deur.

De taxi kan er ieder moment zijn.

B: Het spijt me ontzettend.

G: Goed reis!

B: Dank u, dank u wel voor alles.

 

 

 

 

Gepubliceerd in: om maart 12, 2008 op 3:45 pm  Geef een reactie  

Mooi weer spelen

Vandaag regent het. Van regen word je over het algemeen  je niet blij, tenzij

je in een waterdichte tent zonder broodkruimels ligt en niet naar de wc hoeft

je je in de bus of trein naast het raam bevindt en nog enige tijd droogjes naar buiten kunt kijken

je toevallig net een  paraplu of regenjack in een compact pakketje met je meedraagt

je op een begravenis bent. Want regen past uitstekend bij een begravenis.

je net je tuin hebt ingezaaid of als je je als boer bekommert om je gewassen

Je depressief bent. Je wordt dan relatief minder depressief  dan bij mooi weer, wanneer iedereen godverdomme gelukkig is.

je binnen werkt en bijna op all-inclusive vakantie gaat naar, zo vermeldde de reisfolder, een gegarandeerd zonnig gebied. Thailand, Turkije of Tenerife.

Je een hobbyvisser of jagende vogel bent. Want vissen komen aan het wateroppervlak als het regent. Ze denken dat er iets te eten is. Dat hebben ze dan mooi weer verkeerd ingeschat.     

Gepubliceerd in: om februari 26, 2008 op 8:53 am  Geef een reactie  

Hallo wereld!

Welcome to WordPress.com. This is your first post. Edit or delete it and start blogging!

Gepubliceerd in: om februari 24, 2008 op 6:55 pm  Reacties (2)  
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.